KnopenKwaliteiten zijn onderdeel van wie je bent. Daar ben je mee geboren. Het maakt jou, jou! Het geeft kleur aan de dingen die je doet. Daar hoef je niet bij na te denken. Het zijn de dingen die vanzelfsprekend voor je zijn. Zelf vindt je het niet zo bijzonder want “dat doet toch iedereen!”

Het zijn de kenmerken die opvallen aan jou als persoon. We noemen ze Kernkwaliteiten. Het zijn de positieve punten die een ander het eerst over je zal zeggen als hij er naar gevraagd wordt. Bijvoorbeeld dat je erg geduldig bent, of heel daadkrachtig, of creatief. Iedereen heeft een aantal van deze kwaliteiten.

Alle kinderen hebben kwaliteiten. (Al je collega’s ook!) Soms zien we alleen het te veel van die kwaliteiten, de valkuilen, en ergeren we ons er aan. Praten over kwaliteiten, het zien van de verschillen en de overeenkomsten, helpt om begrip te krijgen voor de verschillen.

School en Veiligheid (zie ook www.schoolenveiligheid.nl) heeft in het kader van de Week tegen Pesten een lessenserie ontwikkeld. Een van de lessen gaat over kwaliteiten. Ik heb een beetje van School en Veiligheid gebruikt en een beetje van mezelf! Ze starten daarbij met een filmpje van Bert en Ernie. Een mooie ontspannen start. Laat het filmpje zien (door op oranje regel te klikken) en vraag aan de leerlingen wat de kwaliteiten zijn van Bert? En welke van Ernie?.

Vraag daarna aan de leerlingen wat ze jouw kwaliteiten vinden? Schrijf ze op.Vraag erop door: hoe ziet die kwaliteit eruit? Wat doe ik dan?

Daarna zijn de leerlingen aan de beurt. Schrijf een aantal kwaliteiten op. Vraag naar de betekenis. Lees de woorden nog een keer op. Ga het gesprek met de klas aan. Zorg dat je zelf op de achtergrond blijft. Vraag bv aan wie denk jij bij de kwaliteit Behulpzaamheid? Stel vragen, vat samen, vraag door. Laat het vooral uit de kinderen komen. Doe dit met een paar kwaliteiten.

Doe dan de volgende opdracht in groepjes van vier:

Bij elk groepje leg je een stapel met kernkwaliteiten (klik op downloads en daarna op kwaliteitenkaartjes). Kinderen pakken één voor één een kaartje van de stapel. Als een kind een kaartje pakt kijkt hij rond in zijn of haar groepje om te bepalen bij wij hij /zij het kaartje vindt passen.

Bijvoorbeeld: “Ik geef jou het kaartje Blij omdat jij altijd Blij op school komt en veel dingen leuk vindt op school, ik word daar ook blij van”.

De kinderen moeten in de gaten houden wie er nog geen kaartje heeft. Als bijvoorbeeld iemand nog geen kaartje heeft, zoek je een kaartje voor die ander. Zorg er voor dat alle kinderen minimaal vier kaartjes krijgen.

Als je een kaartje trekt die bij niemand van het groepje past, dan wordt dit kaartje in het midden gelegd. Er kunnen een aantal rondes gespeeld worden.

Sluit af met reflectievragen. Wat zijn de kinderen over zichzelf en anderen te weten gekomen? Waarom is het belangrijk om dit over jezelf en van anderen te weten?

Laat weten in het commentaarveld hieronder hoe jij en de kinderen het ervaren hebt!

Veel plezier! Morgen een volgende les! En als je leuke ideeën hebt? Laat het me weten!

Een verschillige groet,

Jelly.